
In de nacht van zaterdag op zondag gaat de zomertijd weer in. De klok gaat om 02.00 uur één uur vooruit. Het ezelsbruggetje luidt dan ook: in het vóórjaar gaat de klok vóóruit.
Met het ingaan van de zomertijd is het ’s ochtends langer donker maar in de avond langer licht. Dat kan ertoe leiden dat we ’s avonds minder stroom verbruiken omdat de lichten pas later aan hoeven. Bij het ingaan van de zomertijd slapen we een uur korter. Veel mensen zeggen fysiek last te hebben van het verschuiven van de tijd: het verstoort de biologische klok. Bij de een duurt die ontregeling langer dan bij de ander. De wintertijd is eigenlijk de ‘normale’ tijd.
Ongeveer 70 landen verzetten 2 keer per jaar de klok. In de Europese Unie loopt de zomertijd van de laatste zondag van maart tot de laatste zondag van oktober. De eerste praktische toepassing van zomertijd was door het Duitse Keizerrijk gedurende de Eerste Wereldoorlog, vanaf 30 april 1916. De zomertijd werd ook in de bezette gebieden doorgevoerd. Tussen beide wereldoorlogen in en ook tijdens de Tweede Wereldoorlog was in verschillende Europese landen (waaronder Nederland) de zomertijd in gebruik.
De oliecrisis van 1973, die tot een golf van energiebesparende maatregelen leidde, was voor veel Europese landen aanleiding om opnieuw de zomertijd in te voeren. Spanje en Albanië begonnen hier in 1974 mee. Nederland volgde in 1977.